Levensschets Dora Visser

Samenvattingen en bewerking van geselecteerde aantekeningen uit: De gestigmatiseerde Dorothea Visser, Stichting Vrienden van Dora Visser, Olburgen 1969, p. 12–53.


Samenvatting 12–19

Dorothea Visser (1819–1876), geboren in een arm gezin in Gendringen, groeide op als lichamelijk zwak maar geestelijk opmerkelijk kind. Reeds vroeg ontwikkelde zij een diepe liefde tot God en een sterk verlangen naar Jezus in de Heilige Communie. Haar teruggetrokken aard en afkeer van wereldse vermaken wekten onbegrip en leidden tot harde behandeling, die zij zwijgend droeg.

Na haar Eerste Communie werd zij in dienst geplaatst. Een ernstig ongeval aan haar rechterbeen veroorzaakte blijvende invaliditeit en zware medische ingrepen. Vanaf dat moment werd haar leven blijvend getekend door lichamelijk lijden, verbonden met een intense innerlijke vroomheid.


Samenvatting 19–29

Dora groeide op in armoede en onder vernederende omstandigheden. Zij voelde zich als kind achtergesteld, wat bij haar het vermoeden wekte buitenechtelijk te zijn. Deze pijn leidde tot een houding van stille aanvaarding en innerlijke overgave.

Vanaf jonge leeftijd leefde zij een streng gebeds- en vastenleven. Reeds als achtjarige hield zij de veertigdagentijd; later breidde zij haar vastenperiodes uit uit bijzondere eerbied voor Maria. Een droomvisioen, waarin Maria een overleden protestant bij Jezus binnenleidde, versterkte haar mariale toewijding en haar vertrouwen in de kracht van gebed en boete.

Gebed werd de kern van haar bestaan: rozenkrans, litanieën, kruisweg, geestelijke bezoeken aan het Allerheiligst Sacrament en nachtelijk gebed bepaalden haar ritme. Haar aandacht richtte zich vooral op het lijden van Christus en op voorbede voor de zielen in het vagevuur. Tijdgenoten meldden dat haar gebed herhaaldelijk werd verhoord; meerdere genezingen werden aan haar voorbede toegeschreven. Daarbij traden soms extatische ervaringen op, waarin zij sprak over een ontmoeting met Jezus en Maria.

Haar verlangen naar innerlijke en zedelijke zuiverheid was uitgesproken. Zij bad om een blijvende afkeer van zonde, een gebed dat zij als verhoord beschouwde. Dit werd zwaar beproefd door een langdurige verlamming van de urinelozing, die vijf à zes jaar duurde en medisch ongeneeslijk werd geacht. Ondanks hevige pijn berustte zij in Gods wil.

Toen genezing werd voorgesteld onder voorwaarde van zonde, wees zij dit resoluut af. Na het ontvangen van de stigmata kondigde zij haar genezing aan; volgens haar biechtvader voltrok deze zich zoals voorspeld, ondanks medische scepsis. De oorspronkelijke kwaal keerde niet terug, al had zij later nog tijdelijk last van bijwerkingen van behandelingen. Deze bevrijding beschouwde zij als grote genade.


Samenvatting 30–40

De tekst beschrijft de weg waarlangs de stigmata ontstonden. Dora’s innerlijk leven werd gekenmerkt door eenvoud, nuchterheid en een zwijgende liefde tot de lijdende Christus. Medische verklaringen bleven volgens de auteur ontoereikend voor bepaalde lichamelijke verschijnselen, zoals hevig zweten, intense pijnen en periodieke bloedingen.

Vanaf eind 1843 traden op vrijdagen bloedingen op aan hoofd, handen, voeten en borst, soms vergezeld van kruisvormige zwellingen. Deze gingen samen met extatische toestanden en een uitgesproken bereidheid het lijden van Christus te delen. De gebeurtenissen vertoonden een liturgisch patroon (novenen, vastentijd, Goede Vrijdag) en werden soms vooraf door Dora aangekondigd.

Na een tijdelijke onderbreking keerden de bloedingen terug, onder meer op Goede Vrijdag 1845, waarbij volgens de aantekeningen een blijvend kruis op haar borst zichtbaar werd. De auteur benadrukt dat deze verschijnselen niet uit sensatiezucht voortkwamen, maar uit een doorleefde vereniging met Christus’ lijden, gedragen in gehoorzaamheid en eenvoud.


Samenvatting 41–53

Op basis van getuigenissen van haar zielzorgers beschrijft de tekst verdere kenmerken van Dora’s lijdensweg. Ondanks de ernstige aantasting van haar rechterbeen begaf zij zich meermaals naar de kerk en zelfs naar Ulft, wat door de auteur als bijzonder wordt beschouwd. Ook buiten haar woonomgeving traden de vrijdagse bloedingen op dezelfde wijze op, hetgeen volgens de schrijver pleit tegen kunstmatige beïnvloeding.

Dora beleefde de wonden niet als iets om te tonen, maar als bron van pijn en vernedering. Geruchten van bedrog leidden tot een streng onderzoek, waaronder het verzegelen van haar hand. Tijdens dit onderzoek op Goede Vrijdag 1844 werden kruistekens en bloedingen waargenomen door aanwezigen, wat voor hen als bevestiging gold.

De beschrijving vermeldt hevige lichamelijke pijnen tijdens de bloedingen, maar ook haar geduld en afwezigheid van klagen. Zij verlangde niet naar genezing en zag haar lijden als bescherming tegen zonde en als weg van vereniging met Christus. Toen haar been later op opvallende wijze genas, bleef zij vooral bidden om trouw in het lijden.

Volgens de auteur was de uitvloeiende stof werkelijk bloed; arts Te Welscher bevestigde dit en bewaarde bloeddoekjes ter beoordeling.


Levensschets Dora Visser (p. 12–53)

Opmerking: uitweidingen over de ziekte aan haar been zijn grotendeels weggelaten. Het ongeluk (koe-trap) blijft wel genoemd.

Dorothea Visser, bij haar doop ingeschreven als Johanna Dorothea, maar in het dagelijks leven eenvoudig Dorothea genoemd, werd geboren op 29 september 1819 te Gendringen. Haar ouders, Theodorus Visser en Anna Hamerslag, waren eenvoudige maar rechtschapen mensen die met veldarbeid en dagloon nauwelijks konden voorzien in het onderhoud van hun grote gezin. Dorothea was het middelste kind van negen.

Gendringen was in die tijd een niet onaanzienlijk dorp in de provincie Gelderland, gelegen nabij de Pruisische grens en niet ver van Anholt. Dorothea was van middelmatige lengte, lichamelijk zwak en bleek van gelaatskleur, met donker haar. Van jongs af aan leek haar leven getekend door lijden, dat zij droeg uit liefde tot God.

Reeds als kind werd zij bespot en miskend vanwege haar ernstige godsdienstzin en haar afkeer van zonde. Al rond haar achtste levensjaar voelde zij een sterke weerzin tegen wereldsheid en een uitgesproken neiging tot versterving en vrijwillige ontbering. Haar hart was vroeg en geheel op God gericht, die zij innig beminde.

Nog vóór zij haar Eerste Heilige Communie mocht ontvangen, brandde in haar een uitzonderlijk verlangen naar Jezus in het Heilig Sacrament. Jarenlang zag zij met een bijna ongeduldig verlangen uit naar de dag waarop zij Hem werkelijk zou mogen ontvangen. Tijdens de catechismuslessen volgde zij de priester met intense aandacht, uit eerbied voor degene die dagelijks de Communie ontving. Hier vond haar diepe eerbied voor het priesterschap haar oorsprong.

Toen haar oudere broer zijn Eerste Communie deed, beleefde Dorothea dit met een vreugde alsof zij zelf Jezus had ontvangen. Met kinderlijke zorg bestrooide zij de kamer waar haar broer zou thuiskomen met bloemen en deelde zij intens in zijn geluk. Haar aandacht bij het godsdienstonderricht was uitzonderlijk en volledig gericht op de voorbereiding van die ene dag die voor haar van allesbepalende betekenis was.

Toen deze heilige dag eindelijk aanbrak, werd haar ziel vervuld van diepe vreugde. Haar verlangen naar de Communie bleef sindsdien onverminderd groot. Zij zei later meermaals:
“Wij zijn arm en moeten hard werken om rond te komen. Maar als ik alles had en niet kon communiceren, dan had ik nog niets. Nu verlang ik niets meer dan Jezus, en met Hem is alles genoeg. Als ik niet kon communiceren, dan zou ik niet kunnen leven.”

De Heilige Communie werd het middelpunt van haar bestaan. Zij communiceerde zo vaak als haar geestelijke leidslieden haar toestonden: eerst maandelijks, later wekelijks en soms bijna dagelijks. Wanneer haar de Communie gedurende langere tijd werd onthouden, onderwierp zij zich zonder klacht, maar haar lichamelijke en geestelijke krachten namen merkbaar af. Het gemis van haar Goddelijke Bruidegom kon zij nauwelijks verdragen.

Omdat zij vaak niet naar de kerk kon gaan, werd haar de Communie meestal aan huis gebracht. Haar vurige verlangen naar Jezus doortrok haar hele bestaan. In haar innerlijk leven kende zij momenten van diepe gebedsvervoering, waarin zij zich geheel door Gods nabijheid gedragen wist.

Naast deze intense vroomheid kende Dorothea een sterk teruggetrokken karakter. Hoewel zij van nature opgewekt was, leefde zij vooral naar binnen gekeerd. Zodra zij enig onderscheidingsvermogen had, voelde zij een duidelijke afkeer van het spelen met andere kinderen. Zij trok zich liever terug en vond meer vreugde in huiselijke taken of in het alleen zijn. Deze houding bleef haar leven lang bestaan.

Haar afzondering bracht haar veel verdriet en vernedering. Zij werd vaak uitgescholden omdat zij niet was zoals andere kinderen en moest soms harde behandelingen verdragen, zowel van haar oudere broer en zus als van haar ouders. Zonder aanleiding van ongehoorzaamheid kreeg zij dikwijls zwaardere straffen dan anderen en werd zij niet zelden gestraft voor fouten die zij niet had begaan. Toch verdroeg zij dit alles zonder verzet en bleef zij bereidwillig alles te doen wat haar werd opgedragen.

Ook bij het eten werd zij vaak achtergesteld. Regelmatig kreeg zij het minste of werd zij geheel overgeslagen. Zij klaagde nooit, zelfs niet wanneer zij honger leed. In stilte trok zij zich terug en weende. In die eenzaamheid vond zij soms een diepere innerlijke troost, die zij later beschreef als momenten waarin zij zich omgeven wist door een helder licht, dat haar innerlijk sterkte en bemoedigde.

Haar schoolopleiding bleef zeer beperkt. Zij leerde enigszins lezen, maar schrijven heeft zij nooit geleerd.

Rond haar twaalfde jaar, na haar Eerste Heilige Communie, werd besloten haar in dienst te plaatsen. Zij kwam terecht bij een dagloner met enkele koeien in het nabijgelegen Netterden. Aanvankelijk was dit voor haar een verlichting, omdat zij zich thuis vaak buitengesloten voelde. Na ongeveer een maand raakte zij echter ernstig gewond toen een koe haar tegen de grond stootte en vervolgens op haar rechterbeen trapte. Zij moest een jaar thuisblijven om te herstellen.

Nog nauwelijks hersteld, werd zij opnieuw in dienst genomen. Met grote moeite verrichtte zij haar werkzaamheden, ondanks toenemende pijn waarover zij nauwelijks durfde te klagen. Uiteindelijk ging zij mank lopen en werd werken onmogelijk. Zij keerde definitief naar huis terug.

Sindsdien keerden bij haar, vooral bij pijn, schrik of sterke emoties, hevige aanvallen terug. In latere jaren namen zij sterk af en verdwenen uiteindelijk vrijwel geheel.

Al moest zij reeds als kind vele vernederingen en vaak harde behandelingen ondergaan, toch voegde zij daar uit eigen beweging nog talrijke verstervingen aan toe. Bij de wijze waarop zij thuis werd behandeld, kwam bij haar — nog maar een kind — de droevige gedachte op of zij misschien uit een onecht huwelijk geboren zou zijn. Zij moest herhaaldelijk ervaren dat zij niet gelijk werd gesteld met de andere kinderen, maar behandeld werd alsof zij er niet bij hoorde. Zij had eens horen spreken over onechte kinderen, en omdat zij zichzelf door de ongelijke behandeling in dat beeld herkende, ging zij zich werkelijk als zodanig beschouwen. Dit was voor haar een reden om nooit te klagen, maar in stille onderwerping haar lot te dragen.

Door de vele ontberingen was zij reeds vroeg gewend geraakt aan vasten en versterving. Het viel haar dan ook niet uitzonderlijk zwaar om reeds op haar achtste levensjaar de volledige veertigdagentijd geheel en stipt te onderhouden. Dit heeft zij nadien ook nooit meer nagelaten.

Later, op haar negentiende jaar, begon zij daaraan nog de periode van Allerheiligen tot Kerstmis toe te voegen, uitdrukkelijk ter ere van Maria, voor wie zij een bijzondere eerbied koesterde. Dit besluit was het gevolg van een droom — zoals zij toen meende — waarin zij de ziel van een overleden protestantse man zag, die door Maria werd begeleid en aan Jezus werd aangeboden, en zo de hemel binnenging.

Deze protestantse man, die zij goed kende, had op latere leeftijd veel verdriet gekend toen hij afhankelijk werd van zijn kinderen. In die tijd had hij vaak nagedacht over het geluk van de katholieken die Maria hebben als Troosteres. In haar droom zag zij hoe Maria zijn ziel troostte, voor Jezus pleitte en hoe hij, aan de hand van Jezus en Maria, werd binnengeleid. Deze droom — of liever: deze verschijning — vond plaats op 15 augustus, het feest van Maria Tenhemelopneming.

Haar verlangen naar versterving werd echter steeds groter, zodat zij uiteindelijk lange tijd leefde alsof het vastentijd was. Na verloop van jaren werd zij hierin door haar biechtvader herhaaldelijk tot gehoorzaamheid gehouden en moest zij voor bijzondere vasten toestemming vragen.

Zij had bovendien een grote genegenheid om de zielen in het vagevuur te helpen en vond daarin dikwijls een motief tot versterving en gebed. Op vrijdagen merkte men op dat zij gewoonlijk vastte en zich slechts met wat drinken tevredenstelde.

Op haar drieëntwintigste levensjaar gebeurde het eens dat zij negenentwintig dagen achtereen geen voedsel kon gebruiken en slechts wat drank tot zich nam. Later gebeurde iets dergelijks opnieuw, en het werd meermaals opgemerkt dat zij, wanneer men haar de Heilige Communie bracht, zonder moeite haar mond opende, terwijl zij op andere momenten nauwelijks tot eten in staat was.

Naast haar liefde tot Jezus, haar vernederingen en lijden, en haar neiging tot versterving, koesterde zij een bijzondere liefde voor het gebed. Tot lof van haar moeder moet zij erkennen dat deze zich altijd veel moeite had gegeven om al haar kinderen zonder onderscheid in het godsdienstige te onderrichten en hen te leren bidden. Dorothea vond hierin zulk een genoegen dat bidden voor haar een vreugde werd, ja een behoefte.

Reeds als kind zocht zij de gelegenheid om te bidden: in de eenzaamheid, tijdens haar werkzaamheden en wanneer zij in huis achtergesteld werd. Zij wist niet dat zij ooit een dag had verzuimd te bidden voor de instandhouding van de Heilige Kerk, zoals haar moeder haar had geleerd.

Later, toen zij veelal aan huis gebonden was, nam haar gebed toe en werd het meer mediterend van aard. Zij overwoog vooral de liefde van Jezus: dat Hij zoveel voor ons had geleden en zich in de Heilige Communie aan ons geeft. Dagelijks bad zij de litanie van het Heilig Hart van Jezus, de litanie van het Heilig Sacrament, en ook die van de Heilige Maagd Maria. Het rozenkransgebed bad zij meerdere malen per dag. Ledig zijn was haar onmogelijk.

Met de rozenkrans ging zij slapen en ermee stond zij op. Een groot deel van de nacht bracht zij biddend door. Dagelijks hield zij ook haar bezoek bij het Allerheiligst Sacrament; en hoewel zij niet naar de kerk kon gaan, deed zij deze bezoeken thuis, aan de hand van de gebeden van de heilige Alphonsus de Liguori. Een bijzondere genegenheid had zij ook voor het bidden van de kruisweg; vanaf het moment dat zij deze thuis kon bidden, ging geen dag meer voorbij zonder kruisweg.

Ook de gelovige zielen in het vagevuur vergat zij niet. Menige rozenkrans werd door haar voor hen gebeden, menige Heilige Communie tot verlichting van hun lijden opgedragen, en veel werd voor hen gevast.

Zij maakte ook veelvuldig gebruik van novenen, vooral tot het Heilig Hart van Jezus en tot de Heilige Maagd Maria. Haar gebeden schenen vaak met zichtbaar gevolg bekroond. Vandaar dat velen in stilte haar hulp in gebed kwamen vragen, of dat haar zielbestuurder haar verzocht om voor bepaalde intenties te bidden of een novene te houden.

Het was soms ontroerend om haar te zien bidden, vooral wanneer zij in extase was, en haar te horen smeken tot Jezus of Maria, die zij gewoonlijk haar lieve Moeder noemde. Zij sprak dan alsof zij Jezus of Maria werkelijk aanschouwde: zij vroeg en antwoordde, bad en smeekte. Wanneer zij leek te verkrijgen wat zij vroeg, verscheen er een heilige vreugde op haar gelaat.

Meermalen werd vermeld dat zieken vanaf dat ogenblik herstelden, zelfs wanneer zij door artsen waren opgegeven. Zo werd haar eens verzocht te bidden voor een overste van een religieuze orde, die op sterven lag. In extase hoorde men haar bidden om behoud en genezing. Daarna zei zij dat de zieke zou herstellen, mits men een bepaald middel zou aanwenden. Dat middel werd toegepast, en inderdaad herstelde de overste onverwacht en blijvend.

Nog een voorbeeld wordt vermeld van een geneesheer die ernstig ziek was en voor wie Dora om gebed werd gevraagd. Men hield samen een novene. In extase sprak Dora tot Maria en gaf aan dat de zieke “nu nog niet” zou sterven. Na afloop van de novene herstelde hij en kon hij zijn werkzaamheden weer opnemen; pas later is hij alsnog aan zijn ziekte overleden.

Ook in eigen nood riep men haar hulp in. Zij vertelde eens een kinderlijk voorval over “de knollen”: zij was onterecht gestraft terwijl zij het werk goed had gedaan. Op het veld bad zij herhaaldelijk op haar knieën, uit angst dat het ingezaaide mislukken zou. Later bleek juist op dat deel van het land de opbrengst uitzonderlijk goed. Daarbij werd door omstanders verteld dat zij haar eens “iemand” had zien helpen, zonder te weten wie. Dora besloot haar verhaal met de vergelijking met Isidorus tijdens het ploegen.

Men kan begrijpen dat bij zo’n liefde voor het gebed en zo’n verlangen om nauw met God te leven, er in haar hart weinig ruimte was voor oppervlakkige wereldse vermaken. Zij had een sterke liefde voor innerlijke en zedelijke zuiverheid. Reeds vóór haar eerste Heilige Communie had zij Jezus vurig gesmeekt om haar een grote afkeer van zonde te schenken, en dit gebed beschouwde zij als verhoord.


Zoals zij dikwijls de liefde van Jezus overwoog, zo overwoog zij ook herhaaldelijk het lijden van haar Verlosser. Nooit heb ik echter bemerkt dat zij over een bijzondere verbeeldingskracht beschikte. Zij was eenvoudig en kalm van aard, redeneerde doorgaans helder en met grote bedaardheid. Zij bezat het vermogen om in korte zinnen en met weinig woorden een omvangrijke zaak uit te drukken en een diepe gedachte kernachtig te verwoorden.

Wanneer men sprak over zaken die betrekking hadden op de liefde van God of van Onze Lieve Moeder, sprak zij meestal weinig, maar luisterde des te aandachtiger en overwoog in stilte. Bij zulke gedachten kon zij haar tranen vaak nauwelijks bedwingen. Wanneer zij zich toch in het gesprek mengde, moest men zich verwonderen over de verhevenheid van haar inzichten en de wijze waarop zij in enkele woorden stof tot langdurige overweging wist te geven.

Een jaar vóór zij de stigmata ontving, merkte men bij haar een buitengewoon hevig zweten op, waarvoor artsen geen verklaring konden geven. Dit hield weken aan, hield plotseling op, en keerde later nog eenmaal terug.

Eind november 1843 kreeg zij buitengewone pijnen rondom het hoofd. In die tijd kreeg zij een groot verlangen om naar de kerk te gaan en deelde dit aan haar biechtvader mee. Hoewel men aarzelde, werd besloten dat zij op vrijdag 1 december 1843 naar de kerk gedragen zou worden.

In de nacht vooraf kon zij door de hevige pijnen niet slapen. Rond middernacht leek zij even weg te zinken in een soort bewusteloze toestand. Bij het ontwaken merkte zij dat alles doordrenkt was van bloed. Rond haar hoofd had zich een bloedige krans gevormd, ter breedte van twee vingers, die zelfs door haar muts heen was getrokken.

Men waste haar en zij maakte zich gereed om toch naar de kerk te gaan. Het bloeden hield die dag aan en keerde de daaropvolgende vrijdagen terug. Later begonnen ook haar handen, voeten en borst te bloeden, zonder zichtbare wonden. Daarbij verschenen kruisvormige zwellingen op handen, voeten en borst, waaruit bloed zweette zonder opening. Deze tekenen verschenen vooral op vrijdagen en verdwenen daarna weer.

Negen vrijdagen achtereen had zij deze bloedingen, gevolgd door een korte onderbreking. Daarna volgde opnieuw een reeks, vaak voorafgegaan door extatische toestanden waarin zij zich intens met het lijden van Christus vereenzelvigde. Zij voorspelde meestal nauwkeurig wanneer de bloedingen zouden terugkeren en wanneer niet.

Op Goede Vrijdag 1845 keerde de bloeding in volle hevigheid terug, waarbij zich op haar borst een blijvend kruis aftekende. Ondanks haar hevig lijden was zij op Paaszondag in de kerk aanwezig.

De tekst besluit met de vaststelling dat deze verschijnselen niet voortkwamen uit psychische aanleg of sensatiezucht, maar uit een diep doorleefde, liefdevolle vereniging met het lijden van Christus. Haar verlangen om met Hem te lijden, om uit liefde boete te doen voor zichzelf en voor anderen, was zo innig en oprecht, dat dit een reden kan zijn geweest waarom de goddelijke Zaligmaker haar heeft laten delen in Zijn lijden.

Alvorens afscheid te nemen van de aantekeningen van haar vroegere zielbestuurder, de eerwaarde heer Herfkens, worden nog enkele zaken aangestipt die — naar het oordeel van de schrijver — wijzen op een werking van hogere hand. Dora is herhaaldelijk naar de kerk gegaan en meer dan eens ook naar Ulft.

Op 21 april — zo verhaalt haar vroegere zielzorger — volgde Dora hem naar G. Otten op de Schriek. Zij ging erheen vanwege veranderingen die aan hun woonhuis moesten plaatsvinden. Het verblijf, dat zij meende kort te zullen zijn, duurde uiteindelijk langer. Het bloeden op vrijdag had ook daar plaats, zoals in haar eigen woning, hoewel zij in andere omstandigheden verkeerde. Zij werd er ernstig ziek, maar herstelde en keerde later naar huis terug.

Wanneer men haar daar bezocht, hoorde men haar — terwijl zij in extase met Jezus sprak — smekend bidden om een deel van Zijn lijden. Zij strekte haar lichaam uit alsof zij op het kruis genageld werd. En wanneer zij weer tot zichzelf kwam, gaf zij een afschuwelijke gil, alsof zij nagels door haar handen voelde gaan. Enkele huisgenoten die haar heimelijk gadesloegen, werden diep getroffen.

Enkele dagen later werd zij, op verzoek van de pastoor, naar de pastorie gebracht, waar zij drie weken verbleef. Ook daar trad de gewone bloeding op, en zij ging — terwijl zij in extase was — zonder hinder de trappen op en af. Dit wordt door de schrijver als opvallend beschreven.

De laatste twaalf of dertien bladzijden zijn hoofdzakelijk ontleend aan de aantekeningen van de weleerwaarde heer A. Herfkens, destijds kapelaan te Gendringen en met haar zielzorg belast. Deze werd in juli 1846 naar een andere plaats gezonden; zijn aantekeningen gaan daarom niet verder.

Het bloeden bleef voortgaan op de vrijdagen, én op de feestdagen van Kruisvinding (3 mei) en Kruisverheffing (14 september), op welke dag van de week deze feesten ook vielen. Zo was het nog toen de schrijver in oktober 1853 als kapelaan werd geplaatst en met de zielzorg over haar werd belast.

Zoals reeds is aangegeven, vertoonden zich in de handpalmen wonden die op vrijdag, wanneer zij bloedden, open waren en waaruit het bloed uitvloeide. Deze wonden waren niet rond maar hoekig. Hoewel zij op donderdag weer gesloten leken, waren zij op vrijdag weer voldoende open om zichtbaar te zijn; bovendien bleven de tekenen ervan altijd zichtbaar.

Sindsdien heeft het bloeden, op enkele uitzonderingen na, steeds geregeld plaats gehad. Daarbij kwamen er periodes voor waarin op bepaalde vrijdagen niet uit alle genoemde delen tegelijk werd gebloed. Ook is het eenmaal gebeurd dat zij op een dinsdag aan het hoofd bloedde, in mei 1844, in aanwezigheid van een protestantse vrouw die haar bijstond. Later gebeurde iets dergelijks nog eenmaal, toen de schrijver bij haar was en opmerkte dat hij het begin van het bloeden nog nooit had gezien; kort daarop begon zij in zijn aanwezigheid aan het hoofd te bloeden.

Hoewel niet alle wonden steeds tegelijk bloedden, had het op Goede Vrijdag altijd aan alle plaatsen plaats — zolang zij deze wonden of stigmata droeg: drieëndertig jaar, tot aan haar dood op 12 juli 1876.

Eind 1859 kwam er een beperking in de bloeding, precies zoals zij enige tijd tevoren had aangekondigd. Zij zei dat de bloeding op de gewone vrijdagen zou ophouden, maar dat zij wél zou blijven op Goede Vrijdag, op Kruisvinding en op Kruisverheffing. En inderdaad: zo is het gebleven tot aan haar dood, zonder uitzondering.

De kruisvormige tekenen op haar handen verschenen later minder en zijn uiteindelijk verdwenen. Het kruisteken op haar borst daarentegen bleef een blijvend teken. Het was niet langer hoog gezwollen, maar als het ware licht in de borst ingedrukt, glad en wit van kleur. Dit teken zou — zo had zij voorspeld — tot aan haar dood zichtbaar blijven, en velen hebben dit na haar overlijden gezien. Wanneer zij op de borst bloedde, was dit steeds op de plaats van dit teken.

Tot herinnering bewaarde de schrijver, zoals ook anderen deden, enkele stukjes linnen die bij de bloeding werden gebruikt. Ook bewaarde hij de muts die zij bij de laatste bloeding op Kruisvinding in 1876 droeg, en die door een bloedkroon was doordrenkt.

Door de herhaling op vrijdagen kon het niet uitblijven dat het gebeuren bekend werd en bezoekers aantrok. Voor Dora, die een afkeer had van publieke aandacht, was dit zeer onaangenaam. Zij zag de vrijdag met schrik naderen en verlangde naar het einde van de dag om van de druk bevrijd te zijn. Onder de bezoekers ontstonden uiteenlopende meningen: sommigen zagen er het werk van God in, anderen vonden het twijfelachtig, weer anderen spraken van bedrog.

Daarom werd een nauwkeurig onderzoek ingesteld. Omdat Dora veertien dagen tevoren had gezegd dat zij op Goede Vrijdag aan alle plaatsen zou bloeden en dat de kruistekens op handen en voeten zouden verschijnen, besloot men twee dagen tevoren één hand te verzegelen en haar streng te bewaken. Hoewel zij grote weerzin toonde, stemde zij toe.

Men vroeg de burgemeester van Woelderen bij de verzegeling aanwezig te zijn; hij weigerde. Dokter te Welscher, praktiserend arts in Gendringen, verzegelde op 3 april 1844 ’s avonds de rechterhand: hij wikkelde deze nauwkeurig in linnen, bond het verband vast, hechtte het met naald en draad en zette meerdere zegels op het geheel.

De volgende ochtend bleek de verzegeling ongeschonden. Rond tien uur begonnen op de linkerhand en op de borst de tekenen zich te vormen. Omstreeks de middag begon het bloeden, sterker dan tevoren. Het bloed liep van haar hoofd onder het haar vandaan over haar gezicht; haar hand was nat van bloed; ook door de doek op de borst schemerde het rood. Toen de verzegeling ongeschonden bleek, maakte men het verband los en vond men op de rechterhand een even duidelijk kruisteken als op de linker. Ook de kruistekens op de voeten waren gevormd.

Door velen is dit bloeden gezien. De arts bewaarde de doeken en schatte het bloedverlies op zes à zeven ons. Voor Dora was het bezoek zeer lastig; zij verlangde intens naar het einde van de dag. Voor verdere details verwijst de tekst naar de brochure van dokter te Welscher: De gewondmerkte Dorothea Visser van Gendringen, nr. 1 (Doesburg, J.W. Sommer, 1844).

Nooit heeft Dorothea Visser, wier rechtschapenheid en brave eenvoud algemeen bekend waren, geprobeerd van haar bloeden een vertoning te maken. Integendeel: zij zou het het liefst gehad hebben geheel onbekend te blijven. Bovendien bracht dit bloeden haar geen voordeel, maar doornen: pijnen, moeilijkheden, krenkingen en vernederingen. Bezoekers gaven soms een kleine gift aan de ouders; later werd in huis geen aalmoes meer aangenomen.

Ook kwam er versmading: van sommige mensen die het bedrog noemden, en van sommigen die haar nauwelijks kenden en toch oordeelden. Het bloeden had toen al vele jaren geduurd, met slechts sporadische onderbrekingen. Op Goede Vrijdag, op Kruisvinding en op Kruisverheffing trad het altijd op — tot aan haar dood.

Men moet zich niet voorstellen dat dit zonder lichamelijk gevoel gebeurde. Tijdens het bloeden waren de pijnen vaak zeer hevig: zij beefde, haar tanden klapperden, zij zocht rust maar vond die niet. En toch hoorde men geen klagen, slechts zuchten. Soms zei zij: “Ach, Vader, ik heb toch ook zo veel pijn,” maar nooit met het verlangen ervan verlost te worden.

Wanneer de pijn haar bijna overmeesterde, sprak zij: “Och ja, lieve Jezus,” of: “Och ja, lieve Moeder, ik kan het ook nog wel lijden, nietwaar?” Dan scheen het alsof zij door vertroosting werd opgeheven; ondanks het bebloede gezicht kon er een glimlach van liefde en heilige vreugde op haar lippen liggen. Wie haar zo gadesloeg, werd aangegrepen door medelijden, maar ook door een zekere deelname aan haar vreugde.

Zoals de bloeding niet altijd even sterk was, zo waren ook de pijnen niet steeds gelijk. Wanneer het bloed weer begon te vloeien, werden de pijnen doorgaans heviger, alsof eerst opnieuw een wonde moest worden “geslagen”; na het bloeden leken zij soms te verminderen.

Men zou nog kunnen vragen: was de vloeistof die uit haar hoofd, borst, handen en voeten vloeide werkelijk bloed? Zij had geheel het voorkomen van bloed. Dokter te Welscher schrijft hierover dat de vraag naar zijn oordeel volmondig met “ja” moet worden beantwoord. Hij zegt dat hij resten ervan heeft bewaard: linnen lapjes die hij bij verschillende gelegenheden tegen het bloedende hoofd heeft gedrukt, opdat men daaruit later zou kunnen oordelen over de aard van de uitgevloeide stof.

Beheerder Website Avatar

Gepubliceerd door

Categories: