Pastoor Kerkhof
Antonius Kerkhof (1825–1908

Antonius Kerkhof, ook bekend als Teunis Kerkhof, werd geboren op 29 mei 1825 te Sandvoort bij Baarn als zoon van Albert Kerkhof en Geertje Teunisse Kuijer. Hij werd priester gewijd en vervulde achtereenvolgens functies als kapelaan in Gendringen (1853) en Zieuwent (1861), vervolgens als pastoor in Kloosterburen (1864) en vanaf 1872 tot zijn overlijden in 1908 als pastoor van de parochie H. Willibrordus te Olburgen (gemeente Bronckhorst). Hij overleed op 13 december 1908 en werd begraven op het kerkhof van Olburgen.
Pastorale loopbaan
Kerkhof was een priester van de negentiende eeuw, gevormd in een tijd van kerkelijke herordening en maatschappelijke spanningen. De periode na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 werd gekenmerkt door toenemend antipapisme en antiklerikalisme. Binnen deze context oefende hij zijn ambt uit met grote toewijding en pastorale ernst.
Zijn benoemingen brachten hem van de Achterhoek naar het afgelegen katholieke Kloosterburen in Groningen en uiteindelijk naar Olburgen, waar hij zesendertig jaar pastoor bleef. In deze parochie gaf hij niet alleen geestelijke leiding, maar zette hij zich ook in voor de verfraaiing van de kerk, onder meer door de aankoop van kruiswegstaties van de schilder Martinus Christiaan Schenk.
Kerkhof en Dorothea Visser (1819–1876)
Een wezenlijk deel van Kerkhofs levensverhaal is verbonden met Dorothea (Dora) Visser, de gestigmatiseerde mystica uit Gendringen.
Gedurende bijna drieëntwintig jaar was hij haar biechtvader en geestelijk begeleider. Reeds als kapelaan in Gendringen leerde hij haar kennen; later nam hij Dora en haar zuster Johanna gedurende twaalf jaar in zijn pastorie op, eerst in Kloosterburen en vervolgens in Olburgen. In deze jaren groeide een vertrouwensband die hem in staat stelde haar leven, lijden en de buitengewone verschijnselen die met haar verbonden werden, van nabij waar te nemen.
Pastoor Kerkhof aan het woord
Kerkhof achtte het zijn plicht nauwkeurige aantekeningen te maken over hetgeen hij bij en omtrent Dorothea waarnam. Zelf verantwoordde hij dit als volgt:
“Meermalen is mij te verstaan gegeven dat men het als mijn plicht beschouwde nauwkeurig aantekening te houden van alles wat ik bij of omtrent Dorothea Visser uit Gendringen, als gestigmatiseerde, zou waarnemen. Na haar overlijden schreef mij een eerwaarde vriend dat hij vreesde dat zij door de wereld te weinig gekend en nog minder erkend was, en dat het daarom des te belangrijker was alles vast te leggen wat van en over haar bekend was, zelfs ogenschijnlijke kleinigheden en onverklaarbare zaken. In dit oordeel kan ik mij geheel vinden.
In de jaren waarin Dorothea leefde is er veel over haar gesproken en geschreven, zowel vóór als tegen haar, zoals vaker gebeurt bij voor de wereld ongebruikelijke verschijnselen. Dit speelde zich af in een tijd waarin men sterk geneigd is alles te verklaren vanuit natuurkrachten, en waarin wat niet wetenschappelijk verklaarbaar is, ofwel wordt gerelativeerd, ofwel aan duistere invloeden wordt toegeschreven. Werkelijk gekend, zoals de werkelijkheid bij haar was, is Dorothea echter nooit ten volle geweest.
Voor haarzelf was bekendheid allerminst wenselijk. Zij verlangde ernaar geheel verborgen te blijven en had gewild dat niemand haar in deze toestand had aanschouwd. Toch kan men, indien men veronderstelt dat hier Gods hand werkzaam was om Zijn liefde, geopenbaard op het Kruis, aanschouwelijk te maken, menen dat een zekere bekendheid daartoe had kunnen bijdragen. Tegelijk wordt vaak gesteld dat zulke zaken beter verzwegen kunnen worden om spot te vermijden. Dat standpunt deel ik niet. Wat God zichtbaar maakt, hoeft niet verborgen te worden uit vrees voor ongeloof of spot.
Daarmee wordt geen definitief oordeel uitgesproken over de aard van deze verschijnselen. Het feit blijft echter dat, ondanks herhaald onderzoek, noch een natuurlijke oorzaak is aangetoond, noch enig bedrog is vastgesteld. De stigmatisering heeft bij Dorothea Visser drieëndertig jaar onafgebroken bestaan en ging gepaard met vele opmerkelijke omstandigheden.
Deze aantekeningen willen deze feiten bewaren voor de vergetelheid. Zij steunen op eigen waarneming, op betrouwbare getuigen en op Dorothea’s eigen verklaringen. De laatste drieëntwintig jaren van haar leven heb ik haar van nabij gekend, haar vertrouwen genoten en de zielzorg over haar gedragen.
Deze notities vormen geen volledige levensbeschrijving, maar een ordening van wezenlijke momenten en ervaringen.”
Deze woorden tonen Kerkhofs houding: niet sensationeel of apologetisch, maar verantwoordelijk, voorzichtig en feitelijk. Hij sprak geen definitief oordeel uit over de oorsprong van de verschijnselen, maar legde vast wat hij gewetensvol had waargenomen.
Bewaring van haar nalatenschap
Na Dora’s overlijden op 12 juli 1876 in de pastorie te Olburgen, waar zij stierf op 56-jarige leeftijd, ordende Kerkhof haar persoonlijke bezittingen en zijn aantekeningen. Hij bewaarde deze in een kussensloop, verborgen in zijn boekenkast, in de hoop dat zij ooit zorgvuldig en verantwoord gebruikt zouden worden.
In deze bundel bevonden zich onder meer:
- handgeschreven aantekeningen over Dora’s leven,
- persoonlijke voorwerpen zoals haar haren,
- haar communiekleed,
- en haar mutsje.
Deze stukken worden tegenwoordig beheerd door het Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen.
Historische betekenis
Kerkhofs zorgvuldige documentatie is van groot belang gebleken voor latere studie naar Dorothea Visser. Hoewel de publieke belangstelling na haar dood afnam, kwamen de archiefstukken in de twintigste eeuw opnieuw onder de aandacht. Haar graf te Olburgen bleef een plaats van stil gebed.
Voor de parochie van Olburgen betekende Kerkhof meer dan enkel Dora’s geestelijk leidsman. Hij was een stabiele herder gedurende ruim drie decennia, bouwde aan de liturgische en materiële verzorging van de parochie en gaf vorm aan het katholieke leven in een tijd van maatschappelijke verandering.
Nalatenschap
Het leven van Antonius Kerkhof toont het profiel van een negentiende-eeuwse zielzorger:
- trouw aan zijn roeping,
- zorgvuldig in geestelijke begeleiding,
- discreet in omgang met buitengewone religieuze fenomenen,
- en verantwoordelijk in het bewaren van historische bronnen.
Zijn naam blijft onlosmakelijk verbonden met Dorothea Visser, maar verdient ook op zichzelf aandacht als voorbeeld van priesterlijke toewijding binnen de Nederlandse kerkgeschiedenis.
Hij rust begraven op het kerkhof van Olburgen — in de parochie waaraan hij zesendertig jaar zijn leven wijdde.
Meer uitgebreide informatie:
In PDF
Het leven van een priester in de 19e eeuw – Jan Gosselink : https://www.hvsteenderen.nl/images/varia/verhalen/Pastoor-Kerkhof-deel-1-HVS-versie.pdf

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.